Twee minuten

Standaard

Twee minuten. Dik twee minuten moest ik Gé keihard laten wenen omdat ik een moeilijk te stekken buitenlandse doctor professor telefonisch aan het interviewen was. Moest ik een stressmetertje om gehad hebben, dat ding was ontploft. Hij was toen 3 maanden en ik had hem eigenlijk nog nooit echt laten wenen. Omdat dat ook nog nooit nodig was. Gé was het hele voorval snel vergeten maar ik was er de hele dag niet goed van.

El kan al van z’n derde “zélf!” fietsen, en hij weet perfect waar hij moet stoppen en wachten. Van school naar huis is er een kruispunt waar hij op me moet wachten om over te steken, en soms gaat hij daar dan nét om de hoek staan. Zodat ik hem niet meer kan zien, terwijl ik achter de kinderwagen aan naar hem toe draaf. De twee minuten die ik nodig heb om die o zo lange straat uit te komen en hem om het hoekje te zien staan.

Oefeningen in uitgerekt ouderschap zijn het: dan de hoek omkomen en doen alsof je helemaal niet gehaast bent. Eén en al vertrouwen uitstralen in dat kind, daar, volle minuten op z’n eentje.

Maar ik zeg u: al die minuten samen gaan mijn leven een stuk korter maken.

What’s it gonna be, Gent?

Standaard

Wat ik niet snap, Gent. En waar die nieuwe gemeenteraad met dat geweldig nieuw bestuursplan mij weer allemaal verse hoop voor gegeven heeft:

Wij laten ons hier thuis makkelijk indelen in de groep tweeverdienende bakfietsouders. We kochten zoals zoveel jonge mensen een huis in wat de immosites zo mooi omschrijven als een ‘opkomende buurt’, oftewel de 19e eeuwse gordel, ofte: tha hood. Rabot/Brugse Poort. Wij kregen, ook van de stad, extra subsidies om een eeuwenoud arbeidershuisje hier te renoveren. Ondertussen zijn deze wijken steeds meer een bouwwerf: er is plaats te kort in Gent en er moeten meer woningen voor gezinnen komen en transitie enzo. Hallo projectontwikkelaars en appartementsblokken. Ik begrijp dat. In een milde bui begrijp ik zelfs dat dat in deze wijken moet, hoewel we hier al met veelteveel zijn op veelteweinig plaats met veelteweinig groen en veelteweinig scholen en veelteveel sociale miserie. De grond is hier immers het goedkoopst en de bewoners het minst mondig en je had hier toevallig net heelder blokken laten slopen om voor zuurstof en bruggen te zorgen. Geen dure advocaten hier om bouwaanvragen te blijven betwisten. Alle begrip.

Maar wat ik dus niet snap: je haalt ons naar hier met renovatiepremies en nieuwbouwwoningen. We krijgen voorrang in de beste crèches en scholen uit de buurt, omdat onze kinderen ervoor moeten zorgen dat er een ‘gezonde mix’ komt. We mogen geveltuintjes planten en bellen naar het ene nummer voor glas op de rijweg en mailen naar die andere dienst voor spuiten op de speeltuin en naar nog een ander formulier voor putten in het fietspad en we blijven uiteraard trouw sluikstort melden bij ivago. Je moedigt aan dat hier as we speak honderden van mijn soortgenoten naartoe gehaald worden: werkende mensen, modale tweeverdieners, met kleine kinderen. Wij moeten hier voor ‘opwaardering’ komen zorgen.

En dan houdt het op. Vooral in ‘t Rabot.

Dan woon je hier, met je gerenoveerd huis en je bakfiets en je geveltuintje en je kind op de methodeschool. Dan krijg je elke maand van een enthousiaste vrijwilliger ‘uit in je buurt’ in de bus, waar in staat wanneer er gratis koffie is, en soepbedeling, waar de gratis computer staat en wanneer het inloophuis open is en wat het thema is van de crea-namiddag. Hoe geweldig tof torekes zijn als beloning voor je inzet voor de buurt, als je ze kan gaan inwisselen op een donderdagnamiddag. De lijst organisatoren leest als de sociale kaart. De ‘waar naartoe’ die op evenementen uitgedeeld wordt, is de sociale kaart. Het wijkoverleg bestaat uit vertegenwoordigers van organisaties die focussen op belangrijke probleemgroepen of problemen: kansarme jongeren, nieuwe Gentenaars, armen, mensen zonder papieren, anderstalige moeders. Om overlast in kaart te brengen wordt een online enquête opgemaakt waarvan niemand veronderstelt dat ze ooit ingevuld zal worden en die niet echt klopt en eigenlijk niets bevraagt en die ook niet echt verspreid wordt. Als voorbereiding op iets in september, waarbij ‘de bewoners’ zélf maar moeten gaan uitzoeken waar de politie moet ingezet worden.

Dan mag je met je kinderen in parken gaan spelen die tegelijkertijd fungeren als heroïnegedoogzone, of waar je er zelf maar voor moet zorgen dat de loslopende honden bij je kind wegblijven en de rotzooi uit de zandbak verdwijnt en het crapuul je met rust laat en je de mensen die in de struiken wonen niet stoort. Waar alles ineens wél vanzelf moet goedkomen door ‘sociale controle’, en waar voldoende witte Gentenaars in de ‘sociale mix’ dé oplossing zou zijn als mijn marginale buren en ik elkaar maar beter leren kennen op het straatfeest. Waar ik zelf afval moet gaan ruimen omdat dat een ikweetssniehoetoffe manier is om andere buurtbewoners te leren kennen. De lijst klussen waarvoor mijn vrijwillige medewerking gevraagd wordt is quasi eindeloos.

Word je als werkende mens op school uitgenodigd voor de ‘interculturele moedergroep’ op woensdagvoormiddag, bij de sociaal werker in het park voor een babbel op weekvoormiddagen, en moet je anders maar even doordeweeks in het CAW langslopen. Word je verwacht te ‘participeren’ aan de wijk door in je vrije tijd rommelmarkten en BBQs te organiseren.

Wel, Gent, ik mag dan een vrouwmens zijn met een groot bakkes, Mega Mindy I am not. Met alle inspanningen die jullie van ‘de bewoners’ vragen wordt dat kleine oude arbeidershuis alsnog duur betaald. De problemen in de buurten hier zijn groot, en er is nog veel miserie. Uiteraard moet vooral daar aan gewerkt worden. Uiteraard help je wie hulp nodig heeft, en wij hebben geen hulp nodig. Wij hebben het mooi voor elkaar. Uiteraard. En ik hoor de reacties nu al: da krijgt een renovatiepremie, da kan een huis kopen, da krijgt een plek in een goeie crèche, en da durft nog klagen? Awel: ja. Het is niet genoeg om ons naar hier te halen om de buurt op te waarderen. En je gaat toch ook moeten proberen om ons hier te houden. Zelf. Met een iets meer holistische visie op wijkwerking, iets met ietsje meer toekomst in het vizier. Met meer dan brandblussen en probleemgerichte werking en de ene oproep na de andere voor vrijwilligerswerk. Met meer en misschien ook ander volk, zodat de vzws en de sociale werkers en straathoekwerkers kunnen blijven doen waar ze goed in zijn en niet naar mijn soort gezeur moeten luisteren. Meer als stad zélf de handschoen opnemen in plaats van het zoveel mogelijk aan ‘de bewoners’ over te laten. ‘De bewoners’ is geen hobbyclubje van gelijkgestemde werklozen. En ik heb een tijdje terug mijn vertegenwoordiging bij de stad toch al verkozen?

Misschien zoiets stoms als een parkwachter, in warme weekends op z’n minst. Met af en toe een agent die te voet doorheen een park loopt, in plaats van dat snelle voorbijrijden. Met meer schoonmaakploegen hier dan in andere wijken misschien. Vuilbakken bij de vaart in plaats van enkel de vaart zou ook al een mooi begin zijn. Meer verkeersboetes in de Bevrijdingslaan en de Wondelgemstraat. Iemand die op schooluren kinderen die rotstraten helpt oversteken. Meer communicatie online. Ik zeg maar wat. Ik wil gerust helpen meedenken en meedoen (maar buiten de kantooruren, als’t niet geeft). Maar de hele point van tweeverdiener met jonge kinderen zijn is dat ik te weinig tijd heb, te weinig energie of zelfs te weinig interesse voor dit model van samenlevingsopbouw en wijkparticipatie. Sorry. Zie deze blog maar als mijn bewonersinitiatief.

Gewoon, iets, Gent, al is het een kleinigheid, om te laten merken dat je’t nog fijn vindt dat wij hier ook wonen? ‘De bewoners’ en ‘de wijk’ bestaat niet, en nergens zijn er binnen die random groep zoveel verschillen. Doé daar iets mee, alsjeblieft. Er staat hier zometeen een shitload aan gezinswoningen te wachten op kopers, en die komen niét voor de gratis koffie.

Dragen, knopen, scoren

Standaard


Nog zo’n moederding waar ik op het hele internet alleen maar halleluia over lees: draagdoeken.

Ik heb ze. Ik gebruik ze. Ik heb baby El min of meer overleefd dankzij. Ik kan al dit (meestal), en dit, en overweeg te gaan oefenen voor deze. Maar er zijn een aantal dingen waarover je op your average politiek verantwoorde moekeswebsite niets leest.

– Zo’n doek is meestal tussen de 4 en de 6 meter lang. ZES meter mensen. Dat is in mijn telsysteem meer dan drie Nederlanders. Stel, je wilt je kleine er onderweg uithalen. Pamper, eten, you name it. Doek losknopen dus. En terug vastknopen. Laat ons er even van uitgaan dat dat lukt zonder dat jij en je kind gruwelijk in de knoop raken, jullie beide hysterisch worden en er een mán aan te pas komt om jullie te bevrijden. En public. God forbid. Je moet dan al een Indische godin zijn met pathologisch veel en lange armen om niet óf die reusachtige dubbelzijdige sleep op de grond te laten belanden, óf je spartelende kind. Die grond is zand, of stof, of modder, of stadsstoep, of in het beste geval de moeder-kind WC van de Ikea. Vervolgens knoop je alles mooi terug vast met één hand terwijl je je kind met een andere hand vasthoudt. Of pakweg op de stoep legt. All set. En dan gaat mijnheer baby die verder alleen maar vers gesteriliseerde spenen krijgt op zijn stuk doek-met-grond zitten sabbelen. Mjum.

– Kots. Het spijt me, maar echt: kots. Babies durven wel eens, wat men op said moekeswebsites met zo’n mooi eufemisme noemt, ‘melk teruggeven’. En vergeet maar dat dat alleen net na z’n voeding is. Zo’n gul gevende baby zit meestal rechtop in de draagdoek of -zak met z’n gezicht naar je toe. Handig dat daar bij moeders een afvoergeul zit zeg! Geloof me: als je een tijdje hebt moeten rondlopen met cleavage met de geur van alsmaar grauwere karnemelk dan neem je de volgende keer toch liever de kinderwagen mee.

– Een draagdoek komt met boekjes vol knoopaanwijzingen, massa’s youtubefilmpjes met demonstraties, workshops en heuse draagdoekconsulenten. Omdat er veel manieren zijn om hem goed te knopen, en dus nog veel meer manieren om het verkeerd te doen. Het blijft toch een beetje een circustrucje. En we zijn zo streng voor elkaar. En voor onszelf. Elke vrouw die wel eens een draagdoek geknoopt heeft lijkt dan te loeren naar iedereen die met een kind in een draagdoek rondloopt en te oordelen of die het wel goed gedaan heeft. Knietjes hoger dan de poep! Niet te los! Niet te strak! Niet te laag! Mooi uitspreiden! Is die sling wel goed gethread? Zitten de rails niet gedraaid? Hoofdje ondersteunen! En dat kind zit toch wel goed in kikkerhouding zeker?! Terwijl: probeer maar eens om een kinderwagen verkeerd te duwen. ‘Nuff said.

– De ene draagdoek is de andere draagdoek niet. Er is een zekere orde van stoerheid. Een overtreffende trap van knoopmoeilijkheid en moederlijk culot. Draagdoeken zijn de manier bij uitstek om je moederlijke excellence te bewijzen. Het opbod aan knoopkunstjes op Youtube is onwaarschijnlijk. De BabyBjörn draagzak is de nekmat van de draagdoekwereld. So not done darling. Beginners oefenen een kangoeroehouding met een tricot slen. Praktischer of modieuzer ingestelde ouders halen een Beco of een Ergo draagzak in huis. Of een Mei Tai. Een peuter op de heup in een ringsling scoort al aardig. Maar halleluia en maximum hippiemoederpunten voor wie zijn kind in een geweven knoopdoek in een back-wrap cross carry met tibetan afwerking krijgt zeg. En dan zo gaan fietsen. Of met een tweeling. Hell yeah!

– Ik hoopte even dat baby dragen goedkoper was dan baby rijden.Voor de prijs van een kinderwagen koop je immers al snel een oude doch gekeurde VW Polo. Maar. Ten eerste zijn die draagdoeken best duur (al valt het per meter gezien eigenlijk nog wel mee). Gezien de stepping stone theorie waarin je begint bij een draagzak of tricot slen en eindigt bij een kast vol ringslings en geweven collectibles, blijft het vaak niet bij één aankoop. Bovendien wil je er natuurlijk nog graag babybeenwarmers, een draagjas en een bijpassend mutsje bij. En als je zoals ik al een zwak hebt voor stoffen dan ben je helemaal gezien. Blijkt er naast de normale modewereld een heel parallel draagdoekuniversum te bestaan met limited editions, zijde-mélanges en exclusieve patronen! Dingen die je alleen maar kan bemachtigen via de Duitse ebay of een gruwelijk lelijke webshop uit Australië. Net nu ik niet meer ver op reis kan stoffen kopen of kan gaan kleren shoppen in mijn oude maat zeg. Mijn excuses, portefeuille.

– Niet dat je echt kan gaan shoppen met je baby aan je lijf gebonden. Probeer maar eens kleren te passen zo. Of op restaurant gaan, zonder dat babyhoofdje onder de soep te druppen of de bult op je buik mee in je bord te leggen. Dus misschien valt het alles samen nog wel mee, budgettair.

– Met het risico al te prozaïsch te worden, maar hét grote raadsel voor mij: mensen die hun kind de godganse tijd dragen, hoe gaan die naar de WC…? Met z’n tweeën?

En toch gebruik ik naast de kinderwagen ook doek en sling en zak, en graag. Omdat die toch vaak handig zijn in de stad, of thuis, of op visite, en veel gezelliger dan de kinderwagen. Omdat Gé het zo fijn vindt. Omdat ik me liever niet te vaak erger aan stoepparkeerders en dergelijke. Omdat ik net nog een hele mooie limited edition Didymos zag die ik gewoon moét hebben.

En ook omdat ik toch wel een béétje uitdaging blijf nodig hebben, zo met ouderschapsverlof zijnde.
Knoopwedstrijdje, iemand?

Twee appelflappen

Standaard

Ik las hier een triljoen (ongeveer) verhalen over guilty pleasures, en kon maar niet kiezen welke mijn ultieme guilty pleasure was. Tot nu net.

Het zijn twee appelflappen. Deze:

20120330-095813.jpg

Twee appelflappen van de Turkse bakker met de blinkend schone witte vloer. En koffie.

Dat gaat zo: als zoals vannacht mijn zonen al hun organisatietalent en telepathie in de strijd hebben gegooid om in shiften wakker te zijn zodat ik dicht bij zero uren slaap kom, dan doet dat opstaan ‘s ochtends pijn. En als het dan toch lukt om met z’n allen richting school te dweilen, min of meer aangekleed en min of meer op tijd, en ik sta terug buiten met een ondertussen slapende baby, dan is het tijd voor mijn ontbijt. Ik moet nog een hoop zwangerschapskilo’s kwijt. En ik wil heel heel graag terug in al mijn oude kleren. Maar ik moet nog niet gaan werken. En op weg naar huis kom ik die bakker tegen. Het zijn niet eens ‘echte’ appelflappen. Het is misschien niet eens een ‘echte’ warme bakker.

Maar de troost in die 2 koeken vol appelzoetheid. De vrolijkheid. De goeiemorgen. De boter en de suiker. Met een muziekje en koffie en de krant. Tegen dat de baby weer wakker wordt ben ik het ook.

Mjam.

dood & de kleine

Standaard

“Mama, gaan we spelen van bus en dode kindjes?”

Ik lees ze aandachtig, stukken in de krant over hoe rouw en duiding ook belangrijk zijn voor kinderen. Ik geloof ze. Hier proberen we ook over alles met de kleine te praten, soms alsof het een grote is. En ik vind het geweldig dat ze dat bij El op school net zo doen. Schoolmuren hoeven de wereld niet buiten te houden. Au contraire.

Maar hoe gruwelijk ongepast het ook mag zijn om zoiets op te schrijven in de schaduw van de hel die andere ouders nu doormaken, hij is er wel: moederpijn als ik zie hoe mijn 3-jarige ukje de laatste dagen  met dood en met Nooit Meer en Altijd Missen worstelt. Ook al zat hij aanvankelijk met heel andere en veel lichtvoeterige dingen in z’n kop. Wat het verschil is tussen een ridder en een prins, over hoeveel keer slapen het zijn verjaardag is, en wanneer we in het park gaan fietsen. Wist hij verder van niets, niets concreet genoeg om akelig over te dromen. Tot wij.

Hoe komt het dat er geen vanaf-leeftijd staat op nationale rouw en op vertellen over dode kinderen, maar wel op dozen lego, op toneelvoorstellingen, op kleine plastic autootjes? Ik twijfel of zo’n klein kindje wel moet ingeënt worden met verlies. Nog zo klein. Hij zal the real thing snel genoeg tegenkomen. En er toch geen antistoffen tegen hebben.

Woensdagmiddag ziet hij me het nieuws over het busongeval in Sierre checken en vraagt hij “mama, waarom ben je verdrietig?”. Want zoals gewoonlijk: nog voor ik zelf doorheb dat ik m’n  mondhoeken naar beneden trek en m’n gezicht in een frons knoop, staat dat bezorgde jongetje bij me. Ik had het hem zo goed als ik kon moeten uitleggen wellicht, en vertellen dat ik zo verdrietig ben omdat zoiets normaal gezien niet gebeurt. Bijna nooit. Dat mensen héél, héél oud moeten worden, voor ze sterven. Maar ik zeg dat er iets ergs is in het nieuws, klap de computer dicht en begin over puzzelen.

Donderdag. El z’n juf is geniaal. Heel Vlaanderen zou verplicht zijn eerste kleuterklasje bij haar moeten doen. Echt. We zouden nog altijd allemaal vriendjes zijn. En ze kent haar kleintjes. Vermoedelijk zoeken ze samen op de computer op wat er daar nu precies gebeurd is in Zwitserland, en wordt het die dag een heel ander soort kringgesprek.

Vrijdag. Iedereen op school samen in de grote zaal voor één minuut stilte. Ik zit thuis in egoïstische moedermodus te hopen dat er geen grotere kindjes staan te wenen. Dat mijn kleine spons niet te veel verdriet mee naar huis zou nemen. Dat hij daarna direct terug ridder en prinses zal spelen.

“Papa, dat gaat wel jammer zijn hé, als jij dood bent?”

Het is nu maandag. Hij begint nog altijd op de gekste momenten over doodgaan, en hoe jammer en verdrietig dat niet is. Hij probeert te meten net hoe verdrietig wij zouden zijn, als hij, of wij, als hij. Hij wil weten of hij dan ook al papa is.

En Lief en ik wij blijven schrikken, en proberen om dat dan niet te tonen, en proberen hardnekkig om ter allerjuistst te antwoorden.

En ik blijf me afvragen of het wel nodig was, of iemand er wat aan heeft, of dat kind niet beter een beetje meer werd afgeschermd van die dood en dat verdriet. Ook al konden ze dat niet op de verpakking zetten.

 

#wijvenweek: de droom die was

Standaard
Ons volgende huis wordt er eentje uit zilt mangrovehout, omringd door junglegroen en maar een kort zandpaadje verwijderd van het strand. De dichtsbijzijnde buur zit een kwartier verderop in de bush.
We leven van mango’s en papaya’s en gebakken vis, en ijsjes met hibiscussmaak.  De jongens bronzen en blonderen door in de zee te spelen. ‘S ochtends geef ik ze les, in de schaduw van de mangoboom, uit boeken die ik mooi vind. Soms komen de apen storen. Na de sièsta wandelen we naar het dorpje, voor een cola en  een praatje en een partijtje dammen in het Diola. Even langs de kleermaker met nieuwe stofjes. Lief is na een uitgebreid ontbijt op onze porch gaan werken. Iets met nieuwe boomsoorten of het meten van water. Ik werk met de marktvrouwen aan een theaterstuk. Of een kinderboek. Op ons tempo. We krijgen daar een shitload aan subsidies voor en ondertussen bespreken we stiekem andere plannen. Die geld in het laatje gaan brengen, of hun kinderen gezond gaan houden en hun mannen ook aan het werk.
‘S avonds laten we een grote schotel rijst met vis brengen. De jongens voetballen op het strand. We drinken witte wijn in de tuin terwijl de apen in de mangoboom plaats ruimen voor de vleermuizen. Nergens zijn er zoveel sterren. Niemand komt roepen en schieten.
Ik heb Lief leren kennen in dat huis. Ooit gaan we terug. En  tot dan is ons rijhuis in Gent ook wel ok. I guess.

#wijvenweek: De kunst van het gemolken worden

Standaard

Bekentenis & mening in één, en ook wel eentje waar ik meestal zo’n grote zwarte balk van zelfscensuur overheen sla: ik heb El idioot lang borstvoeding gegeven.

Veel meer uit luiewijven- en praktische redenen dan uit overtuiging. Ik heb er om die redenen ook vrij veel over gepraat, opgezocht en gelezen. Weinig onderwerpen die onder moeders zo veel online discussies opleveren. Maar ik heb nu nr. 2 aan de borst en m’n tieten blijven jeuken van alle plechtige prekerigheid en half-godsdienstige onzin die je zwanger of pas bevallen moet aanhoren en voor lief moet aannemen.

Mijn 2 centen dus, bij deze:

Een doorsnee baby eten geven werkt ongeveer net zo als een doorsnee baby maken.

Iets minder leuk wellicht plus nog een paar minor verschilletjes, but still; zelfde hormoon, zelfde clichés over de eerste klungelige keer, over chemie, zelfde vanzelfsprekendheid en wat mij betreft zelfde moeidudernimee. Je kind eten geven is een lichaamsfunctie zoals een andere. Wie de test wil doen vergelijkt in een gemiddeld vrouwenblad en moederforum de tips om klaar te komen maar ‘ns met de tips om meer melk te kolven. Wissel om. Sta versteld. Lol verzekerd! Toch is er zelden iemand voor dié eerste keer met z’n tweeën naar een powerpointvoorstelling in het ziekenhuis geweest, of gezellig naar pakweg theeslurpende lotgenotencafés. Kunnen we naast bedgeheimen, ook niet zoiets als babygeheimen introduceren? Ik ben even kwijt hoeveel duzenden jaren mensheid ons vooraf ging, maar deden al die neanderthaalse en nerovingische en euh al die andere slechtgeklede moeders al dat lacteren ook niet gewoon quasi vanzelf?

En lukt het je laten melken niet of ligt het je om welke reden dan ook niet, dan laat je het toch gewoon? Hoog tijd om wat liever voor elkaar te zijn. Want waar moeit iedereen zich mee zeg. Ik ben geen dokter of vroedvrouw of lactatiedeskundige of watdanook maar als je op tijd flesjes introduceert kan het die baby volgens mij weinig schelen. De WHO-normen waarmee je om de oren geslagen wordt zijn er dacht ik vooral voor moeders die niet de keuze hebben tussen 12 soorten bronwater en 25 soorten hypergecontroleerd melkpoeder, of die om andere redenen beter niet zelf gaan mengen en steriliseren.

Bekijk het zo: het is toch beledigend voor de hongerige kindjes in Afrika om samen met je baby af te zien (jij uitgeput, baby honger, miserie all over) terwijl je gewoon naar de apotheker kan fietsen en je kind binnen het half uur een volle fles lauwe goedheid kan geven?

Van zodra je zwanger bent, krijg je Maria en een legertje aan vruchtbaarheidsgodinnen op je hielen. En ik heb het wel een beetje gehad met die miepen. Niets minder dan heiligheid zul gij nastreven als gij het waagt u voort te planten. Relatief beperkt medisch onderzoek heeft ons voorlopig nog grotendeels het advies ‘doe maar niets leuks meer dan kan het zeker geen kwaad’ opgeleverd. Van zodra je twee streepjes op dat stokje plast word je voor zij die de regels uitschrijven vóór alles broedmachine. Die bij voorbaat en zonder sluitend wetenschappelijk bewijs in alles hoort te schrappen. Als teken van opoffering en toewijding en dies meer. Adios common sense. Hello plekken als zappybaby.be, waar we elkaar met plezier met allerhande advies kleineren.

Voorbeeldje dat mij frappeerde: het geneesmiddel Zantac bevat in veel gebruikte siroopvorm 7,5% alcohol. Toch wordt die Zantac en masse langdurig voorgeschreven aan kleine baby’s met reflux – hoewel erg pijnlijk en heel zielig meestal geen levensbedreigende aandoening. Moedermelk bevat ongeveer evenveel alcohol als het bloed. Na 3 glazen wijn is dat dus zo’n 0,008% alcohol.  En toch voel ik me nu wel weer bijna verplicht om watertjes en nog meer watertjes te bestellen.

Wel den boom in met die heilige moederigheid. Geef mij maar gewoon m’n wijntje, en m’n koffie, en voor de kleine moedermelk als hij honger heeft. Omdat dat voor ons toevallig het beste werkt momenteel. En hoe minder ik me zorgen maak, hoe beter dat dat kind eet. Dus doe me een plezier, en moeidudernimee?